De vrijlating van de gevangen was op komst. Het contact met thuis was steeds minder geworden. En de schrik sloeg hem om het hart: was hij thuis nog wel welkom?! Zo niet, dan wilde hij meteen weer vertrekken en zijn huis voor altijd achter zich laten. Hij dringt aan op een teken: hang in de appelboom op de heuvel – de boom die je vanuit de trein het eerste ziet – hang daarin een grote bonte vlag. Als teken dat ik mag thuiskomen.
Met spanning zat hij in de trein; in de bocht staarde hij naar buiten om meteen de heuvel te zien. Zou er een doek hangen of niet …. En toen hij de bocht om kwam zag hij wel duizend bonte doeken in de boom hangen. Een mooier teken van hartelijk welkom had hij zich niet kunnen indenken! (= in de inhoud van een Amerikaanse song die in 1981 weer actueel werd.)
En dat gevoel van hartelijk welkom zijn, welkom thuis hoort ook bij Kerstmis! Dat thuisgevoel wil Kerstmis ons geven, dat kunnen we een beetje kwijtgeraakt kunnen zijn als het om de kerk gaat. We zijn geestelijk wat zoekend geworden; we zijn allemaal wat individueler geworden, wat kritischer, hebben eigenlijk de jas van het geloof voor een stuk uit gedaan – die was te krap geworden, wat ouderwets misschien - en dan voel je soms dat het zonder jas kouder wordt. Met Kerstmis is er bij ons een terugverlangen naar de warmte van het spontane geloof. Niet van regeltjes, maar van warmte, licht en betrokkenheid; je kunnen verwonderen; gewoon stilstaan bij het Kind in de kribbe. Dat maakt bij ons toch wat los. En dan doet het goed je welkom te weten; mensen te hebben bij wie je kunt aanschuiven; die dat herkennen, bij wie je je thuis weet.
Kerstmis heeft iets van thuiskomen; thuiskomen en stilstaan bij het wonder van het leven, van de schepping, van ons bestaan. Het Kind in de kribbe ontroert ons, maakt bij ons emoties los, herinneringen, gevoelens. En je dan gewoon thuis te weten in die Kerk die mensen samenbrengt. Mensen die in God geloven, en als we erbij stilstaan is Kerstmis nog meer omgekeerd: niet alleen wij geloven in God, maar God gelooft in ons, mensen. We mogen ons geaccepteerd weten door God, zoals we zijn. Met ons karakter, met onze verslavingen, met onze gedachten. Het Kerstkind zal later zelf zeggen: “wie mijn volgeling wil zijn, moet zijn kruis opnemen.” Het leven aanvaarden zoals het op je afkomt. En daaraan betekenis geven. Kerstmis is: God komt naar ons toe. Op ontwapenende wijze: in een Kind in de kribbe. Zo komt God in onze wereld, - in mijn wereld: Immanuel: God met ons.
En wij kunnen aanschuiven, zoals die herders. Kerstmis kun je vieren, ook als je niet zó katholiek bent. Het gaat niet alleen om mijn persoonlijke geloof alleen. We kunnen aanschuiven, meeliften met anderen.
Een paar weken geleden was hier in de kerk een uitvaart en om een beetje een indruk van de overledene te krijgen vroeg ik ”was de overledene net zo gelovig als haar man?”. En ik kreeg als antwoord: haar man was superkatholiek en zij maakte er een beetje gebruik van: ze zei vaak: “mijn man heeft al voor mij gebeden – ik hoef dat niet meer te doen.” Ik dacht: het is heerlijk als je mensen hebt die voor je bidden. Beseffen dat niet alles van jezelf afhangt, maar je kunt bouwen op anderen. Je thuis weten in die gemeenschap van gelovige mensen, die het ook voor jou opnemen.
Bij Kerstmis gaat het er niet ten eerste om wat ik persoonlijk geloof, maar God gelooft in mij. Hij komt naar ons toe, naar mij. Hij komt als een Kind naar ons toe, liggend in een kribben en Kind spreekt ons aan. Letterlijk en figuurlijk.
Het nodigt ons uit te komen en Hem toe te laten in ons leven. In de herberg was geen plaats: te druk. In ons hart mag plats zijn; daarvoor zijn we gekomen. Het Kind heeft ons wat te bieden: warmte, licht, sfeer, geborgenheid. Daar weten we ons bij thuis. En dat thuis klinkt voor ieder persoonlijk.
We willen onafhankelijk en vrij leven en toch hebben we elkaar nodig. Allerlei zekerheden die we hadden, blijken toch niet zó zeker en (koers)vast. Zekerheden hebben wat schade opgelopen. En soms moet je zekerheden verlaten en ingaan op de uitnodiging, zoals de herders die ingingen op de uitnodiging van de engel en op zoek gingen om uit te komen bij het Kind in de kribbe. En daar voelden ze zich welkom! Om niet op afstand te blijven: ze spoorden elkaar aan: “Komt laten we naar Bethlehem gaan.” En haastten zich op weg en vonden het Kind in de kribbe, met Maria en Jozef en wisten dat ze welkom waren.
Kunnen wij misschien die herders zijn? – vrij en onafhankelijk; ze hadden hun kudde. – Ze hadden na dit bezoek hun schaapjes nog niet op het droge, maar wel de Verlosser gevonden: Heden is u een Redder geboren: Christus, de Heer. En dat Kind heet ons allen welkom! Zalig kerstfeest.