Allerheiligen en Allerzielen zijn gevoelige dagen. We ervaren deze als familiedagen. Verbonden met onze lieve doden. Als kerkgemeenschap zijn we een grote familie, waar ook de overledenen bijhoren. De 1e en 2e november laten uitkomen dat we voor elkaar veel kunnen betekenen. Een H. Mis draagt de priester op voor een intentie, vaak voor een overledene – een zeswekendienst, of een jaardienst, of zo een H. Mis.
We spreken ten beste voor hen die gestorven zijn.
Enerzijds vertrouwen we erop dat zij in de hemel zijn; anderzijds beseffen we ook dat ‘wij hier op aarde geen heiligen zijn’ en dat we zodra we onze ogen hier gesloten hebben en de laatste adem hebben uitgeblazen meteen bij God zijn, die gedachte staat daar weer haaks op. Het is nog een van de gevolgen van de flower power tijd: de mens is goed en neemt het kwaad, het donkere deel van iedere mens niet zo serieus; of we doen het af met God is barmhartig.
Onze ogen moeten wennen aan scherp licht. Als je uit het donker komt, kun je de stralen van de zon niet meteen verdragen; je knippert een tijdje met je ogen; of we houden onze hand voor de ogen. Langzaam wennen we aan het volle zonlicht.
Welnu: God ís Licht, bij Hem is geen duisternis. “God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis” (1 Joh 1,5). Als in ons leven nog smetten van zonde, duisternis, kleven; vooral als we echt in het donker leven dan kunnen we na ons overlijden niet meteen het hemels licht van God verdragen. We knipperen met onze ogen, we kunnen verlangen wel naar het goddelijk licht, maar het gaat gewoon niet. In die situatie in die “tijd van wachten”, van verlangen naar het volle licht, verkeren de zielen die we vandaag gedenken. Allerzielen. – Gisteren degenen die al bij god in het volle licht van de hemelse heerlijk zijn en daar voor ons voorspreker zijn – vandaag, spreken wij ten beste voor onze dierbare overledenen; dat zij spoedig het licht van God kunnen verdragen en ‘tot de heiligen’ mogen gaan behoren.
En het mooie is dat wij zoveel voor hen kunnen betekenen. Wij spreken hier voor hen ten beste. We zijn als geloofsgemeenschap één grote familie: Wij de strijdende Kerk op aarde; wij kunnen ten beste spreken voor de lijdende Kerk = de gelovige zielen = (met een traditioneel woord: vagevuur, of purgatorium, plaats van zuivering), en dan de glorievolle Kerk van de heiligen in de hemel, die wij weer mogen aanroepen.
In iedere H. Mis bidden wij voor overledenen; of we dragen een H. Mis voor hen op als jaardienst, b.g.v. een verjaardag, of zo maar. – Een voorproefje daarvan hoorden we al in de eerste lezing: Judas de Makkakbeëer hield een geldinzameling “om voor de zonden van de overledenen een offer op te dragen”. En er wordt van gezegd: “dat was een mooie en edele daad, ingegeven door de gedachte aan de verrijzenis!” En er staat bij – en dat doen wij ook – dat we kunnen bidden voor onze overledenen!
Zij mogen op ons rekenen! Op ons gebed, vooral door het eucharistisch offer, maar ook offerbereidheid in het algemeen, of aalmoezen, en werken van liefde en boetvaardigheid. Wij kunnen die – met name in de week van Allerheiligen – aan God opdragen voor onze overledenen.
En het geeft ons ook een heel diepe troost. Voor elkaar bidden houdt niet op bij de dood. God staat daar boven. We kunnen blijvend voor hen ten beste spreken. We doen dat ook; we steken een kaars voor hen op, misschien zonder dat we de diepe betekenis ervan doorgronden: een kaars die blijft branden, ook als we ons gebed gezegd hebben. Die kaars blijft daar staan; smelt weg om licht en warmte te geven, en zo te herinneren aan ons gebed. We roepen de voorspraak in van Maria en andere heiligen, en die blijven voor onze intentie bidden, ook als wij ons gebed al gestopt hebben …
Laten we de gedachten aan hen levend houden én die gedachte verbinden met ons gelovig gebed. En als zij al in de hemel zijn, dan zal het gebed ook nooit verloren zijn, want dan maakt dat hun voorspraak voor ons des te effectiever.
Ook in die gelovige zin is Allerheiligen-Allerzielen een familiefeest; onze familie van gelovigen, van de Kerk. – de Kerk hier op aarde, de lijdende Kerk en de Kerk in de hemel.