Parochie H.Moeder Anna

Bekkerveld - Heerlen

 
HOME  |  Actueel  |  Mededelingen  |  Who's who  |  H. Missen  |  Preken  |  Kerk  | Werkgroepen | Links

 

12e zondag door het jaar (22-06-2008)

“Wees niet bang voor hen die het lichaam kunnen doden”, zegt Jezus vandaag tegen ons. “Vrees veel eerder degenen die de ziel ombrengen!” M.a.w. zorg nog meer voor je ziel dan voor je lichaam! 

Hoe zit dat met onze ziel? Het voelt als een belangrijk woord; al kunnen we niet precies zeggen wat er mee bedoeld wordt. De ziel is eigenlijk wat maakt dat je leeft; dat je kostbaar en uniek bent in de wereld. Je ziel dat ben jezelf; dankzij de ziel lach je huil je, voel je, bid je, heb je fantasieën, droom je, hoop je, geloof je, vertrouw je.

Zonder ziel zouden we maar een koud lichaam zijn. De ziel is de adem van God in ons bestaan, Onze ziel is net als God onsterfelijk. 
Jezus spreekt vaak over ziel en lichaam. “Gij zult de Heer, uw God, beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Gij zult uw naaste beminnen als uzelf” (Mt. 22, 37.39). Het begrip ziel roept heel veel op. We drukken er iets van onze waardigheid mee uit, onze heiligheid zelfs. 
Ik was blij met de weergave van een interview laatst in De UITKIJK “priester richt zich op het heilige”. Het heilige in de mens heeft met zijn ziel te maken. Bij de sacramenten horen we “Jezus is de geneesheer van ziel en lichaam” [biecht en ziekenzalving]; of bij het vormsel: “De uitstorting van de Heilige Geest drukt in de ziel een onuitwisbaar merkteken, en brengt een groei van de doopgenade tot stand …. verenigt hechter met Christus en zijn Kerk.” En waar het gaat om een uitvaart leert ons geloof ons dat “de ziel van de overledene wordt toevertrouwd aan God, Bron van eeuwig leven, terwijl zijn lichaam wordt begraven in afwachting van de verrijzenis.”

Het is niet de tekst die we nog gauw op een gedachtenisprentje lezen. Een beetje algemene opinie is: je leeft zolang mensen aan je blijven denken: je bent pas echt dood als niemand meer aan je denkt. Het gaat dan om een voortleven in de harten van onze dierbaren. 
Zelf ervaar ik dat toch als een beetje mager en ik ben ervan overtuigd dat ons geloof méér is.

Geloven is ook “ons leven door Gods ogen bekijken” en dan kunnen we zeggen: we hebben een geheim dat we met ons meedragen: dat Jezus onze voorspreker is bij de Vader; dat we niet meer bang hoeven te zijn. God zorgt.
We maken ons vaak druk om vele zaken, zodat de meest wezenlijke erbij in schieten. Het dringende krijgt zo vaak voorrang op het noodzakelijke! Bekommer je om wat het belangrijk is; niet je lichaam, maar je ziel. 
In onze wereld die zo gefocust is op het lichamelijk en op wat jong is, klinken die woorden vreemd. En voor wie wel open staat voor het geestelijke, is Jezus veel te concreet. Wij spreken makkelijker over algemene termen: het goede – we geloven dat er ‘iets’ is. Ons geloof verdampt als we het niet meer uitspreken, als we er geen getuigenis meer van geven. Wordt het niet hoe langer hoe moeilijker om het onderscheid te zien tussen een christen en een niet-gelovige die het goede nastreeft.
Weten we op den duur nog wat christen-zijn is, en weten anderen wat ze aan ons hebben?
En we versterken ons christelijk geloof juist als we het wél uitspreken “Ieder die Mij bij de mensen belijdt, zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn vader die in de hemel is. Dat geldt ook voor ons leven na de dood.
Het woordje “hemel” vermijden wij vlugger – we weten niet precies hoe we ons de hemel moeten voorstellen. Maar het is waard om het begrip levend te houden, om ons geloof niet te doen vervagen. Ik kan me herinneren hoe bij het overlijden van mijn broer aan zijn dochtertje werd uitgelegd: “De stoel voor papa in de hemel is nu mooi genoeg”, nu mag hij gaan.

Wellicht is ons verrijzenisgeloof niet alleen dat anderen aan mij blijven denken als ik er niet meer ben, maar dat Gód aan mij blijft denken. Als God je niet vergeet, dan heb je leven – ( Hij sprak en de wereld ontstond.) – eeuwig leven!

Het geloof in de verrijzenis mogen we concreter uitdrukken dan wij vaak doen. We doen het niet, óf omdat we het geloof kwijt zijn; óf omdat we niet willen afgaan bij de ander. Wij houden ons geloof liever voor onszelf; we willen niet dat men ons ‘onverdraagzaam’ vindt 

Soms drukken mensen zelf wel uit hoe echt hun geloof en vertrouwen is. Dat sterkt je! – zowel degene die het zegt, als degene die het hoort – Het grijpt je vooral aan als je mensen goed kent. Zulke woorden hebben van nature een getuigeniskarakter, omdat ze doorleefd zijn. En je voelt er een oproep in om zelf je leven weer meer op God te oriënteren. Ik kan me goed herinneren hoe mijn broer kort voor zijn overlijden uitdrukte: “Het lijntje naar de hemel is maar kort.” “Gebed wordt niet altijd verhoord op de manier waarop wij denken.” Wij mogen als gelovige mensen laten weten dat wij belang hechten aan gebed, en liturgie en sacramenten; We dringen niemand iets op, maar mensen mogen van ons getuigenis verwachten. “Onder de werken die God het meeste eren is het geven van getuigenis van Gods genadekracht in ons” (Julia Verhaeghe). Wees niet bevreesd; ieder haar op je hoofd is geteld; blijf geloven en heb vertrouwen!

Pastoor Wim Miltenburg fso

 

Copyright MyFreeTemplates.com 20XX. ll rights reserved.