|
Bij de ingang van een flat tref je een hele serie bellen met namen, voor elk appartement een. Eén groot gebouw bestaande uit vele woningen. Bij het zien daarvan heb ik vaker gedacht aan het evangeliewoord ‘in het huis van mijn Vader is ruimte voor velen’. In het evangelie staat letterlijk: ‘In het huis van mijn Vader zijn vele woningen’. Het evangelie wordt vaak gelezen bij een uitvaart als een troost voor wie achterblijven: in de hemel is plaats voor velen, ook voor de dierbare die nu gestorven is. Ik vraag me echter af: Is het huis van mijn Vader in Jezus’ ogen enkel de hemel? Dat vind ik te beperkt. Dan is er nu voor ons geen plaats in dat huis en moeten wij wachten tot na onze dood.
Ik ga dus op zoek. Wat is bedoeld met ‘het huis van mijn Vader’? Vanuit de joodse achtergrond gaat het over de tempel waar alle joodse gelovigen genodigd zijn. Als zij elk jaar optrekken naar de tempel in Jeruzalem, zingen ze: ‘Hoe verblijd was ik toen zij mij zeiden: Wij gaan op naar het huis van de Heer’. Ps 27,4 bidt: ‘Dat éne vroeg ik van de Heer, dat is al mijn verlangen: daar te zijn – in het huis van de Heer, al de dagen mijns levens, dat ik Gods luister aanschouw, op Hem zien mag binnen zijn tempel’. Joodse gelovigen ervaren de tempel als ‘het huis van JHWH’ (Ps 23,11; 116,19; 118,26; 134,1; 135,2). Daar vieren zij de aanwezigheid van JHWH. Een plaats, een gebouw als symbool voor de nabijheid van de Onzienbare. In dat huis is plaats voor allen, zowel de farizeeër als de tollenaar (Lc 18,9-14)
Jezus noemt de tempel ‘het huis van mijn Vader’. Als hij geldwisselaars en kooplui de tempel uitdrijft, roept hij: ‘Maak van het huis van mijn Vader geen markthal’. Tot verbijstering van de toehoorders zegt Hij dan: ‘Breek die tempel af en in drie dagen zal ik hem doen herrijzen’. Hij spreekt hier over de tempel van zijn lichaam. De evangelist merkt op: Na zijn verrijzenis beseffen de leerlingen pas wat hij ermee bedoelt (Jo 2,13-22). Nu komen we dichterbij. Tegelijk wordt het ook moeilijker. ‘Het huis van mijn Vader’ is Jezus zelf, gestorven en verrezen. In hem zijn vele woningen. Kunnen we daar iets van aanvoelen? In de eerste brief van Petrus (2,5) worden christenen opgeroepen: ‘Laat uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel’. Het gaat erom een huis te bouwen, niet uit steen of hout maar uit levende mensen. Die vormen tezamen het huis. Zoals het huis van het gezin, opgebouwd uit vader, moeder en de kinderen.
Hoe kan dat nou? Hoe kunnen wij hier wonen in het huis dat Jezus zelf is? Ik zoek verder. Jezus is heengegaan. Niemand kan hem meer ontmoeten zoals tot dan toe rond het Meer van Galilea of in de straten van Jeruzalem. Kan ik hem dan helemaal niet meer ontmoeten? Jawel maar op een heel nieuwe manier. Nu naderen we de kern. Jezus is gestorven en leeft dankzij zijn Vader die hem tot leven roept door de adem van de Geest (Rom 8,11). Die schenkt Hij zijn leerlingen (Jo 20,22). Ik ontmoet Jezus overal waar mensen in zijn Geest bijeenkomen. Dat wordt uitgebeeld in het verhaal op de avond van de eerste dag van de week: Een groep mensen rond Jezus als middelpunt (Jo 20,19.26). Een levend huis opgebouwd uit levende stenen rond de hoeksteen Jezus de Christus. Dat huis zijn allen die in hem geloven en gedoopt zijn (Rom 6,3). Paulus kiest een ander beeld. Voor hem zijn wij het lichaam van Christus, een lichaam met vele ledematen (1Kor 12,12-31). Het huis van de Vader is het lichaam van Christus. Daar mag ik deel van uitmaken, nu reeds. De deelnemers zijn eindeloos gevarieerd. Die verbondenheid met elkaar met Christus in ons midden vieren wij in de eucharistie. Zo komen wij telkens samen om te worden wat wij ontvangen: het lichaam van Christus. Die gemeenschap moet groeien en dat kost veel pijn. Als wij eenmaal sterven wordt die gemeenschap in Christus volkomen. ‘Het huis van mijn Vader’ mag ik ten volle beleven als ik door de loutering van de dood ben heengegaan. Nu reeds ervaar en beleef ik dit huis in symbolen en tekenen, in de liturgie en in het vele goede dat wij mensen voor elkaar mogen doen. In het huis van God onze Vader wonen wij nu reeds en straks voorgoed.
P. Stevens
|