Een 40 % van de mensen in ons land gelooft in een leven na de dood; een andere 30% twijfelt; 30 % gelooft niet.
Bij katholieken ongeveer dezelfde cijfers; wat meer twijfelaars (44%), wat minder ongelovigen (17 %).
Ook mensen die gelovig zijn, twijfelen wel eens; en ongelovigen denken ook wel: zou het toch waar zijn. Mensen denken spontaan:
Dood is dood en graf is graf. Dat dachten die leerlingen van Jezus ook.
Die waren niet zo gelovig! Zelfs als dan de eerste berichten van het lege graf komen, geloven ze niet in de verrijzenis, maar denken aan meer verklaarbaarder oplossingen:
"ze hebben Hem weggehaald en weten niet waar ze zijn lichaam hebben
neergelegd".
Pas de verschijningen van de verrezen Heer overtuigen; als ze Hem zien, als Hij met hen eet en drinkt, als ze de littekens van zijn wonden in zijn lichaam zien, gaan ze langzamerhand geloven.
Nee, uit alle evangelieverhalen blijkt, dat de apostelen en de hele groep rond Jezus niet bepaald goedgelovig was. Het waren
nuchtere mensen, die met beide benen op de grond stonden.
De schrijvers van het evangelie verhullen het niet: er was crisis! De apostelen sluiten zich zelf op en
verbergen zich “achter gesloten deuren”; sommigen
wijken uit naar hun oude vissersbedrijf; twee leerlingen gaan
ontgoocheld terug naar een dorp verderop. En de vrouwen willen
rouwen bij het graf! Er is in het begin niets van geloof in de
verrijzenis! En er moet heel wat gebeuren om hen tot geloof te brengen. Veertig dagen lang – zo schrijft Lucas – zal Jezus aan zijn leerlingen laten zien dat Hij uit de dood is opgestaan. En dan
groeit het geloof vanuit de twijfel die hen gepakt had!
We kennen de verschillende verhalen. Maria Magdalena denkt met
de tuinman van doen te hebben. Voor de twee leerlingen naar Emmaus is Jezus
een vreemdeling en ze herkennen Hem pas “bij het breken van het brood”; zeven vissers op het meer
zien wel iemand op de oever staan; maar pas ná de grote visvangst groeit hun geloof. En dan nog: Geen van hen durfde te vragen ‘Wie bent U?’Ze voelden aan dat het Jezus was.
Menselijke twijfel is er vanaf het begin. Vanaf de eerste getuigenissen door de vrouwen; vanaf het onderzoek dat Petrus en Johannes in stellen. En wanneer Jezus dan plotseling aan zijn leerlingen verschijnt, dan is er eerst nog schrik, verbijstering en “menen ze en geest, een spook te zien”. We kennen nog de uitdrukking een
ongelovige Thomas. Jezus komt met geduld tot Hem om hem zijn wonden te laten zien en hem zo te helpen geloven! En Thomas gaat ons dan voor in het geloof: Hij erkent ten volle: “Mijn Heer en mijn God!”
Er is dus tijd voor nodig om tot geloof te komen. Gods Geest heb je er voor nodig – denken we aan het vormsel.
Na zijn verschijningen gedurende die 40 dagen belooft Jezus dan ook die Heilige Geest, die tien dagen later een feit werd.
En zo is de kerk geboren uit mensen die samenkomen om hun persoonlijk contact met Jezus; om hun geloof met elkaar te delen.
Juist doordat die eerste getuigen van Jezus’ opstaan uit de dood niet zo goed gelovig waren zijn ze betrouwbare getuigen geworden. En daardoor kunnen wij ook in de verrijzenis geloven.
Met hun getuigenis: de Heer leeft zijn zij de wereld in
getrokken. Voor dat getuigenis hebben velen zelfs hun leven
gegeven. Dat getuigenis brengt ons ook hier samen in deze paasnacht. In het geloof aan het getuigenis van de apostelen zijn wij hier samen.
In het licht van de paaskaars hebben we geluisterd naar de lezingen uit de heilige
Schrift. Gods handelen met de mensen. Het verhaal van het begin: hoe God de mens geschapen had en wij op God lijken – geschapen naar Zijn beeld – Het verhaal van de uittocht,
door het water van de Zee naar de redding. En daarin zien wij al een voorafbeelding van ons
doopsel. Door het water van het doopsel gaan wij op weg naar het eeuwige leven. In dat geloof zijn we samen.
Het geloof wat begonnen is met ons doopsel.
Daarvoor is nu de zegening van het water en de vernieuwing van ons doopgeloof.