Daags voor Kerstmis staat een man voor de deur en vraagt om een bijdrage (voor zichzelf). Hij staat vanwege schuldsanering onder bewindvoering – en dan heb je niet veel te besteden. Hij kwam van Kerkrade en was daar ook naar een pastorie gegaan, had er boterhammen gekregen, maar had graag nog wat …. Tegen alle regels en voornemens in, gaf ik hem iets. Het moest voor hem toch ook iets van Kerstmis zijn. Zodra een arme, een asielzoeker, een vluchteling een gezicht krijgt, ligt het anders.
Wij worden aangesproken door concrete personen. Dan krijgt geloven een gezicht. Wat doe je als je een kerk binnenkomt? Je kijkt er nog meer mensen zijn. Geloven is wel persoonlijk, maar je doet het niet op je eentje. Het geloof van anderen inspireert ons. Wij bidden de geloofsbelijdenis die mensen voor ons ook hebben gebeden – al meer dan zestien eeuwen – en die in alle katholieke kerken wordt uitgesproken. Dat bindt al. Maar in onze beleving doet het nog veel meer als degene die naast ons zit, of een vriend die we kennen meebidt. (Of zelfs iemand die we niet kennen. Ook samen geloven geeft een band!)
Het geloof moet een gezicht krijgen door gelovigen. Christus moet in de christenen herkend worden. Pas als geloven concreet wordt, doe je er wat mee! Raakt het je. Een theoretische bespiegeling over hoe de wereld is ontstaan, over leven na de dood, over welke religies er zijn en welke je dan aanspreekt – al die theoretische overwegingen – raken ons niet echt. Ze helpen hoogstens om ons achteraf te verdedigen, zowel naar onszelf, als naar anderen. Maar het zijn zelden de echte argumenten.
Geloven is persoonlijk geraakt worden, aangesproken worden. En de overtuiging van een ander doet daarbij veel.
De drie koningen hebben een gezicht gekregen. Nergens staat dat het er drie zijn. Er wordt alleen gesproken over wijzen – magiërs - En in de H. Schrift worden in het boek van de psalmen de wijzen al koning genoemd.
Jezus is de Redder voor alle mensen. Het evangelie van Matheus eindigt met de “Maak alle volkeren tot mijn leerlingen” En aan het begin – vandaag in het evangelie – brengt Hij alle volkeren al samen De drie wijzen komen uit de drie toenmalig bekende continenten. Daarom worden de drie – drie, vanwege de drie geschenken – ook zo afgebeeld:
• De oude, wijze Melchior uit Europa;
• Balthasar van middelbare leeftijd uit Azië en
• de jonge zwarte Caspar uit Afrika.
Leeftijden en herkomst geven aan dat mensen van alle kanten tot Jezus komen. En ze krijgen zo een concreet gezicht. De drie koningen geven ons geloof een gezicht. Net zoals wij dat naar anderen ook doen.
Door ze koningen te noemen staan ze nog meer tegenover die koning die het koninklijk Kind wil doden. Mensen die van verre komen kiezen wel voor Koning Jezus, terwijl koning Herodes – zo dichtbij - het Kind afwijst. Uit angst zijn positie te verliezen, zijn macht kwijt te raken, bang voor concurrentie. Terwijl dat niet in het minst speelt. Maar toch vanaf het prille begin is er die bedreiging: Jezus moet (mond)dood gemaakt worden. Uiteindelijk zal dat op het kruis ook gebeuren.
En ook daar op het kruis ging het weer over het koningschap.
Jezus is wel koning, maar niet van deze wereld. Woorden die Hij zelf tegenover Pilatus zal uitspreken. “Mijn koningschap is niet van deze wereld En tegelijk lezen we “De komst van het Rijk Gods, kunt ge niet waarnemen. Men kan niet zeggen: Kijk, hier is het, of daar is het. Want het Rijk Gods is midden onder u”(Lc. 17, 20-21). Het Rijk Gods moet verkondigd worden, anders dringen we onvoldoende door tot Gods openbaring. Die wijzen hadden er nogal wat voor over om de pasgeboren Koning te vinden. Al hun talenten, kennis, tijd en rijkdom stellen ze in dienst van het vinden van de nieuwe Koning. Zij hebben een gezonde nieuwsgierigheid. Ze gaan in o wat ze innerlijk moeten hebben aangevoeld als waar en goed.
“Op hun knieën neervallend betuigen ze Het hun hulde en boden de geschenken aan: goud wierook en mirre.” Ook hierin ligt weer een diepere betekenis:
• Goud, verwijzend naar het koningschap van Jezus
• wierrook, omdat het een góddelijk Kind is
• mirre, gebruikt om te balsemen en verwijst al naar zijn dood
Die drie koningen brengen hulde aan die ene koning. Het gaat in feite om de strijd tussen twee koningen: Koning Jezus en koning Herodes. En dat is nog steeds zo.
Eigen macht, zelf willen heersen, enerzijds of willen dienen.
Wie aanbidden wij? Laten wij ons meeslepen door macht, geld, carrière, … of kunnen we onze talenten in deinst stellen en misschien zelfs tot aanbidding komen van Jezus.
In een tijd waarin geloof in Jezus Christus niet meer vanzelfsprekend is moeten we tot de kern doordringen ... En dan komen we bij de aanbidding van Jezus.
Geloven is echt als we het concrete dagelijkse leven proberen te verbinden met onze verhouding met Jezus. Om Jezus Koning te laten zijn in de keuzes die we maken.
Die hulde en eer die de wijzen brengen is een geleefde theologie; het knielen voor het Kind drukt een houding van eerbied en zelfs van aanbidding uit. “Komt laten wij aanbidden” zingen we “Venite adoremus”.
Dat moet geen theorie blijven, maar een gezicht krijgen door mensen die durven te aanbidden! Dat staat - net als in de tijd van de wijzen en Herodes - haaks onze tijdsgeest, haaks op een politiek machtsdenken (zoals bij Herodes), haaks op de baas willen zijn, op egoïsme … Zozeer zelfs dat ze langs een andere weg terug moesten gaan. Zo ingrijpend kan het kiezen voor Jezus zijn.
Wíj kunnen Hem aanbidden in de Eucharistie. Dat weet je alleen als het je gezegd, - als je dat mensen hebt zien doen – als het je geopenbaard is! Openbaring des Heren: Jezus laat zien wij Hij is. Van waar mensen ook komen. Door mensen die Hem een gezicht geven, openbaart Hij zich nu. Bij Jezus gáát het om God. Dat drukken die wijzen uit. Waar de goddelijke natuur van Jezus Christus in ere gehouden wordt, daar krijgt ook aanbidding een plaats, daar knielen we.