In mijn jeugdjaren, ik praat dan over de jaren 50 en 60, hadden mijn ouders nog geen auto. Boodschappen moesten toen ook gedaan worden en mijn moeder zocht mij altijd uit om haar naar de moderne supermarkt aan de Akerstraat in Hoensbroek te vergezellen en met haar de boodschappen in een grote tas aan de hand weer naar huis te dragen. Van de winkel naar huis was een drie kwartier lopen. Met een volle tas en een brandende zon was dat geen pretje. Tijdens die wandeling liepen we ook door de kolonie, een wijk waar bijna uitsluitend mijnwerkers en hun gezinnen woonden. In sommige huizen woonden ook oudere mensen bij hun kinderen in, immers de tijd van de bejaardenhuizen moest komen. In een van die huizen woonde nu een mevrouw op leeftijd. Ze zat indien het weer het enigszins toeliet buiten voor het huis sjofel gekleed in een grote rieten stoel. Ze zat vaak om een praatje verlegen en vond bij mijn moeder een gewillig oor.
Op een keer, het was een zaterdag, en het was minstens zo warm als vandaag, kwamen we weer langs die oude vrouw. Ze zei wat tegen mijn moeder, wat dat kon ik niet verstaan. Even later hielp mijn moeder haar uit de rieten stoel en gingen ze samen het huis in. Ik kreeg de opdracht het laatste stuk naar huis alleen af te leggen met die zware tas natuurlijk. ‘Hier heb je de sleutel’ zei ze nog. Ik kwam thuis zette de tas neer en bleef daar wachten totdat zij ook arriveerde.
Toen ze eenmaal thuis gekomen was vroeger wat er met die oude mevrouw aan de hand was. ‘Ze had in de broek gedaan en moest nog enkele uren wachten tot haar schoondochter weer thuis zou zijn.’ ‘Toen heb ik haar geholpen en gewassen’, zei mijn moeder, ‘als oud-verpleegster weet ik hoe dat moet, en je kunt zo’n arm mens toch niet zo laten staan in die hitte.’
Moeder hielp die oude mevrouw omdat ze geraakt was door de toestand van het oudje en bij machte was haar te helpen. Eigenlijk dezelfde situatie als waarin de Samaritaan uit het evangelie zich bevindt. Met een verschil: Joden en Samaritanen spraken niet met elkaar, leefden volkomen langs elkaar heen, terwijl er in het Mariarade van de jaren 50 wel een scheiding was tussen mensen van binnen en buiten de kolonie, maar die was lang niet zo strict als tussen Joden en Samaritanen.
Evenmin als de Samaritaan uit het evangelie wilde mijn moeder iets terug voor haar handelen, immers met mensen uit de kolonie ging je niet op basis van gelijkheid om, die hielp je als dat nodig was en dat was het dan. Ik vroeg haar vorige week of ze zich dit voorval nog herinnerde. Ze wist er niets meer van, eens te meer een teken van haar houding toen: ‘Ik heb eigenlijk niets bijzonders gedaan.’
Ik denk dat Jezus ook iets dergelijks bedoeld heeft: echte naastenliefde, die op gelijke voet staat met de liefde tot God, is volkomen vrij van eigenbelang, voor 100 procent gericht op die naaste.
Eerst als de naastenliefde volkomen belangeloos is, vrij van ieder egoďsme, kan ze gelijkwaardig zijn aan de liefde tot God, de ongeziene Aanwezige in ons midden. Dan kunnen ook liefde tot God en de naaste op een lijn komen, elkaar niet tegenspreken maar elkaar wederkerig versterken.
Maar waar blijft dan de gezonde liefde voor jezelf? Ieder van ons kent wel mensen die de hele dag belangeloos klaar staan voor anderen, van zichzelf alles geven, totdat het vat leeg is. Elk mens dient immers aan zichzelf toe te komen. Dat is goed voor hem en ook voor zijn relaties tot anderen. Anders houdt hij of zij het ook niet vol.
Liefde voor God, liefde voor de ander en liefde voor jezelf zijn onderling op elkaar betrokken. Ze vormen, als het goed is een drie-eenheid
Belangeloze naastenliefde, verricht in een mentaliteit van vanzelfsprekendheid, daar gaat het in het evangelie van vandaag om. ‘Maar wie is dan die naaste?’ vragen mensen aan Jezus. Wie die naaste is, dat vertelt Jezus niet, wel hoe je naaste wordt. Dat wordt je blijkbaar door je te bekommeren, medeleven te betonen aan de ander, er naast te gaan staan.
Naaste wordt je niet door de bijbel te lezen maar door de bijbel te doen. Of zoals de heilige Augustinus zei: ‘Heb lief, en doe wat je wilt’ dat voert je tot het leven, tot het waarachtige leven.
De komende maanden zijn bij uitstek maanden waarin mensen tot rust kunnen komen, elkaar en de natuur kunnen opzoeken, rust en tijd kunnen vinden om te bidden en tot zichzelf te komen. Misschien reist U dan wel in deze periode op de weg van Jeruzalem naar Jericho, zoals mijn vrouw en ik enkele jaren geleden deden. Tijdens die reis ziet U op een gegeven moment hoog boven de schapenstallen een huis liggen met een uithangbord voor de deur: ‘Bij de barmhartige Samaritaan’. Dat zal voor u een herinnering zijn aan een oud verhaal, maar ook een oproep: ‘Wiens naaste ga ik zijn?’
Diaken H. Renckens