|
‘De kern van het religieuze is de ontmoeting van hart tot hart’. Ik heb die zin ooit gelezen. Ze is me bijgebleven. In hetzelfde boek stond de ervaring van een studentenpastor in Amsterdam: ‘Ik kom de Eeuwige enkel nog tegen in het vragende of wanhopige of reddende gelaat van de ander die mij tegemoetkomt’. Ik versta: In de blik en de woorden van de ander zie ik en hoor ik de nabijheid en het appèl van God. Ontroerend. Dat is ontmoeten en wel totaal, onvoorwaardelijk. Tegelijk leert de ervaring: Zo'n ontmoeting is zeldzaam en vraagt heel wat. Je moet je onbevooroordeeld opstellen zodat die ander niet bang is maar zichzelf kan tonen zoals die is. Ook met datgene wat hij/zij het liefst voor iedereen verborgen houdt: angsten, twijfels, falen, onmacht.
Feitelijk wordt religie echter vaak gepresenteerd in vaste regels van kerken en gemeenschappen. Bij de Joden hebben Farizeeën en schriftgeleerden een voor- name plaats. Jezus komt met hen in contact. Ongetwijfeld vrome mensen, maar hun geloven ligt vast in regels waarmee iedereen beoordeeld wordt. Ze brengen voor Jezus een vrouw die op overspel betrapt is. De joodse Wet zegt: Een man en vrouw die op overspel betrapt zijn, moeten gestenigd worden (Lev 20,10; Dt 22, 22). Daar moet Jezus zich ook aan houden, vinden zij. Daarom vragen ze: ‘Meester, wat vindt u hiervan?’ Een bijzonder tafereel ontvouwt zich. Hij zwijgt en schrijft in het zand. Zij dringen aan. Dan zegt hij: ‘Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen’. Dat woord schept ruimte. De aanklagers verdwijnen, de oudsten het eerst. Tenslotte staat Jezus alleen tegen- over de vrouw. Hier zien we wat het zeggen wil: ‘De kern van het religieuze is de ontmoeting van hart tot hart'. 'Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?’ 'Niemand, Heer'. Dan het grote woord: ‘Ook ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer’. Ik versta: ‘Je mag er zijn zoals je bent, ook met de brokstukken uit je verleden. Leef verder en doe niemand schade meer, noch jezelf noch een ander’. De blik en het woord van Jezus doen wonderen. Dat is ontmoeten, een genezende ontmoeting. Zoals de Amsterdamse studentenpastor zegt: ‘Ik kom de Eeuwige enkel nog tegen in het vragende of wanhopige of red- dende gelaat van de ander die mij tegemoetkomt’.
Toch blijft het een grote opgave hoe om te gaan met kwaad en zonde. De vraag is: Wat staat tegenover zonde? Meestal is het antwoord: ‘Tegenover zonde staat deugd, het goede tegenover het kwade’. Dat lijkt heel juist. De Deense wijsgeer Kierkegaard (1813-1855) moest na een leven van eerlijk maar vertwijfeld zoeken vaststellen: Tegenover zonde en falen staat niet de deugd maar de genade. Deugd is inspanning. Je wilt het beter doen, je wilt de zonde voortaan vermijden. Is dat verkeerd? Natuurlijk niet. Maar het is ontoereikend. Er moet iets aan voorafgaan. Het is de genade die je vrijmaakt. Het is de andere mens die jou na verloop van tijd met al je gebreken en je oprechte pogingen aanvaardt. Genade en liefde leven in iedereen die oprecht begaan is met een ander en hem of haar aanvaardt. Dat te ervaren maakt je vrij en geeft je het elan om voortaan als een nieuwe mens weer op weg te gaan. Een nieuw begin wordt mogelijk. Dat typeert het beeld van God zoals het oplicht in de Bijbel en bij uitstek in Jezus de Christus. Kwaad en zonde worden onder ogen gezien, niet weggepraat of gebagatelliseerd. Maar de mens die zich schuldig heeft gemaakt, moet vooruit kunnen. Ik stel me de vraag: Kan ik zover komen dat ik die mens aanvaard en vergeef? Dan kan de ander vooruit. Dit temeer omdat ook ik telkens nood heb aan genade.
P. Stevens
|