|
‘Je hoeft me niet te zeggen hoe ik leven moet. Ik hoef toch niet te leven zoals jij dat doet’ Zo luidden de eerste regels van een lied van zanger Benny Neyman.
Wij mensen houden er niet van door anderen voorgeschreven te krijgen hoe we moeten leven. Dat willen we zelf doen. Dat we ons dan toch op vrijwel dezelfde manier gedragen, kleden en voeden als onze buren vinden we niet erg. Als we maar geen dwang daarin voelen.
Carnaval is een goede gelegenheid om even aan de dwang van de conventies te ontsnappen. Bij kinderen merk je dat goed. Kleine meisjes komen in een lang kleed en met een hoofdbedekking in de vorm van een kegel de straat op en zeggen dan zoiets in de trant van ‘Vandaag ben ik prinses, zogenaamd’: Volwassenen gaan ’s avonds uit, niet paarsgewijs zoals anders, maar in een groep van enkel mannen of vrouwen. Men gedraagt zich dan voor een avond alsof men niet getrouwd is, houdt wel alles in het nette, als het goed is tenminste, maar kan weer eens opgewekt flirten en sjanzen met leden van het andere geslacht.
Beperkte vrijheid, niet meer gebonden zijn door de normale conventies dat is het parool met carnaval. Maar door die vrijheid beseft men ook weer het nut van de conventies en de regels. Ze zorgen ervoor dat het maatschappelijk verkeer overzichtelijk blijft. Dat duidelijk is welk mannetje bij welk vrouwtje hoort. Dat je laveloos drinken geen pas geeft. Dat het eigendom maar ook het gebrek er aan van ieder gerespecteerd wordt. De regels volgens welke mensen met elkaar omgaan stutten de maatschappij, ze dragen haar. Behalve dan met Carnaval, dan mogen ze wat gerelativeerd worden door de humor van de buutnerreedner de paradepassen van de Raad van Prins, die de militairen nabootsen, of de teksten van leuke meezingliedjes. Dat alles geeft aan dat wij beseffen dat wij geketend zijn door de conventies maar ons er meestentijds prettig bij voelen.
De Joodse gelovige wordt in zijn leven en godsdienst ook gesteund door regels en wetten, die opgetekend staan in de Wet. De vele regels uit de Torah, zoals de wet genoemd wordt, schrijven de Joodse gelovige voor wat hij al dan niet te doen heeft. Uit blijdschap over het bezit van de Torah dansen diepgelovige joden met de Wet over de straat. Het woord uit de Wet is voor hem een licht op zijn pad en een lamp voor zijn voeten zoals de psalmtekst zegt.
Dankzij de wet weet de vrome Jood hoe hij leven moet en hij is God er diep dankbaar voor. Alles wijst er op dat Jezus, de leraar uit Nazareth, de oude joodse Torah, door God aan Mozes op de berg Sinaï gegeven, goed gekend heeft. Hij had weet van de tien geboden, de regels om de sjabbat te vieren en de vele andere voorschriften.
Maar Jezus doet iets ongehoords met de regels van zijn voorvaderen: hij geeft die regels een motivering mee. De liefde. Want de liefde tot God en mens vormen het fundament van de ethiek volgens Hem. De evangelist Lukas laat in zijn evangelie Jezus als een nieuwe Mozes de berg afdalen en zijn leerlingen toespreken. Zijn stijl is echter verschillend dan die van zijn grote voorganger. Sprak Mozes nog in de gebiedende wijs ‘Gij zult dit en gij zult dat niet’ Jezus houdt zijn toehoorders een ideaal voor: ‘Gelukkig zul je zijn als nu honger lijdt, want later zul je verzadigd worden’ of geeft hun een waarschuwing mee: ‘Pas op als je nu lacht, want je zult klagen en wenen’.
Jezus spreekt op een uitnodigende stijl tot zijn leerlingen, maar ook tot ons.
Gaan wij op die uitnodiging in? Dienen we arm te worden om dan pas het Rijk Gods binnen te kunnen gaan. Dienen we schrik te krijgen als mensen ons lof toezwaaien?
Ik meen dat we de inhoud van de veldrede van Jezus enorm versimpelen wanneer we zo met de tekst omgaan.
We vergeten dan dat Lukas schrijft voor pas Christen geworden mensen die permanent beducht zijn voor de vervolgingen van de Romeinen, met de bedoeling hen te sterken in hun geloof. Wij worden niet vervolgd om ons geloof, eerder beschouwd als een soort minder-ontwikkelde burgers, die nou net het inzicht ontberen om het kinderlijke bijgeloof uit hun jeugd voorgoed vaarwel te zeggen.
Maar juist bezien door ogen, die getekend zijn door een zekere naïviteit krijgt de evangelietekst van vandaag betekenis.
Ook het meisje van de carnaval met het witte kleed, verkleed als prinses, bekijkt de wereld voor een tijdje als prinses. Zij beweegt dan als een prinses, praat als een prinses, zogenaamd. Leeft voor de duur van de verkleedpartij in een andere wereld.
Na afloop van de verkleedpartij zal zij het kleed missen, maar ze is een ervaring rijker.
Ook wij zijn vroeger of later in ons leven tot het besef gekomen dat er meer is tussen hemel en aarde dan dat wat we zien met een streng natuurwetenschappelijke blik. Wij geloven in God en ook in zijn bemoeienis met de wereld. In de veldrede van vandaag worden wij uitgenodigd meer met die andere wereld, de wereld omgekeerd zal ik haar maar noemen, rekening te houden.
Laat angst en gebrek aan fantasie ons niet weerhouden samen met elkaar proberen vorm te geven aan deze wereld. De komende Vastentijd is een periode waarin we zouden bezig kunnen zijn met de wereld omgekeerd.
Mede namens pastoor wens ik U nog fijne dagen tot aswoensdag en bovenal een goede Veertigdagentijd.
Diaken H. Renckens
|