|
Op 5 april 1943 wordt in Berlijn een dominee gearresteerd: Dietrich Bonhoeffer (1906-1945). Vanwege zijn openlijk verzet tegen het nationaal socialisme. Als begin 1945 een aanslag wordt gepleegd op Adolf Hitler, wordt duidelijk dat ook Bonhoeffer met die aanslag iets te maken heeft. Dan heeft zijn einde geslagen. Op zondag 8 april 1945 houdt hij een gebedsdienst in de gevangenis. Nauwelijks heeft het laatste gebed geklonken of de deur van het vertrek zwaait open en twee burgers komen binnen: ‘Gevangene Bonhoeffer, meekomen’. Dat woord ‘meekomen’ is de gevangenen bekend. Het betekent: het schavot. De dag daarna wordt hij opgehangen in de gevangenis Flössenburg.
Op 16 juli 1944, een jaar na zijn arrestatie schrijft hij in de gevangenis een gedicht Wie ben ik? Een indringende vraag. Hij beschrijft hoe anderen hem zien: kalm, blij, zeker; vriendelijk en verstandig; gelijkmoedig en fier. Daarna: hoe hij zichzelf ervaart: onrustig, als een vogel in een kooi, naar adem snakkend, verlangend naar zijn familie en vrienden; woedend om de onnozelste krenking, rusteloos wachtend, onmachtig. Hij vraagt zich af: wie ben ik? Zoals ik mezelf zien of zoals anderen mij zien? Ben ik het een of het ander of ben ik sóms die en sóms die ander? Of beiden tegelijk? Vragen in eenzaamheid waarop hij geen antwoord vindt. Het gedicht eindigt:
Wie ben ik? Eenzaam vragen drijft de spot met mij.
Wie ik ook ben, Jij, God, kent mij, van Jou ben ik.
Hoe komt hij er toe? Wat gebeurt er in hemzelf dat hij uiteindelijk door de knieën gaat en bidt: Wie ik ook ben, Jij, God, kent mij, van Jou ben ik. Je moet door de bodem zakken van alles wat je denkt: van wat je denkt over jezelf en van wat anderen van je denken. Door de bodem zakken. Dat is gauw gezegd, dat is niet te programmeren. Er zit iets in deze eerlijke christen dat pas volstrekt helder naar boven komt in die toegespitste situatie, in het zicht van de dood.
Wat zou dat zijn dat dan naar boven komt? Ik luister naar wat Lucas ons vertelt over Stefanus. Hij wordt getypeerd als een man ‘vol genade en kracht’. Tegenstanders zijn niet opgewassen ‘tegen de wijsheid en de geest waarmee hij spreekt’. Aan het eind vlak voor de steniging, bidt hij ‘vervuld van de heilige Geest’. Het gaat hier niet om vrome verhalen, het gaat om iemand die voor zijn terechtstelling staat. Geen ontkomen aan. En wat Stefanus bidt, is niets anders dan zijn rotsvast geloof in de Jezus die verrezen is, de Levende aan wie hij zich toevertrouwt: ‘Jezus, ontvang mijn geest’. Een variant op Psalm 31,6: ‘In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest’. Het gebed dat Jezus bidt vlak voor zijn dood, hangend aan het kruis (Lc 23,46).
Indrukwekkend. Bonhoeffer in de gevangenis aan het eind van de Tweede Wereld-oorlog, Stefanus in het begin van de christengemeenschap in Jeruzalem. Het is zoals Jezus zegt in het evangelie: ‘Je komt voor rechtbanken te staan omwille van Mij om getuigenis af te leggen. Maak je niet bezorgd over het hoe of wat van je spreken. Het zal je worden ingegeven wat je moet zeggen. Want niet jij bent het die spreekt, maar door jou spreekt dan de Geest van je Vader’ (Mt 10,18-20). Wat is er een kracht en een Geest in mensen. Ook in u en in mij. Een bemoediging die ons goed mag doen. We hoeven geen helden te zijn, we mogen wel vertrouwen op de Geest van God die ons van binnen-uit overeind houdt, die ons tot leven brengt, juist als de machteloosheid totaal is.
P. Stevens
|