|
Wat zeg ik als ik God zeg? Het woord valt zo vaak dat ik mij de vraag stel: Wat zeg ik als ik God zeg? Meestal wordt het woord ingevuld als: Die alles gemaakt heeft, Die alles kan, almachtig is. Maar wat als we vreselijke dingen meemaken? Dan valt de vraag: ‘Had God dit niet kunnen vermijden? Waarom grijpt Hij niet in?’ Voor velen is dan de conclusie: ‘God bestaat niet, anders had Hij dat kunnen voorkomen’. Een merkwaardige redenering. Eerst vullen we in wat of wie God is om dan te concluderen dat die god niet bestaat. De omschrijving gaat vooraf aan de ervaring. Soms bekruipt mij de gedachte: Het zou goed zijn om het woord God voorlopig niet meer te gebruiken. Dat is natuurlijk onmogelijk.
Als ik God zeg, zeg ik tegelijk iets over mezelf. En wel in een heel bijzondere zin. André Zegveld, een collega uit het aartsbisdom Utrecht, schrijft: ‘Het feit dat jij bestaat, is het bewijs van God. God hoef je niet te bewijzen’. God is de ruimte waarin je leeft zo-als de Bijbel zegt: ‘In God leven wij, bewegen wij en zijn wij’ (Handelingen van apostelen 17,28). Het is als de lucht die ik inadem. God is de bron waaruit ik leef. Maar de lucht en de bron kan ik nooit zien. We leven ervan maar kunnen het niet precies omschrijven.
Als ik God zeg, zeg ik iets over mezelf. Met Kerstmis horen we: ‘God is mens ge-worden’. Zeg ik met die woorden ook iets over mezelf? Wel degelijk. En wel iets heel belangrijks. In elke mens, zo groot en zo klein als die is, toont zich de Onzienbare in wie wij leven, bewegen en zijn. Daar horen we iets over in het geloof dat we van de Joden ontvangen: De mens is geschapen als beeld van God, naar Zijn gelijkenis (Gen 1,26). Wie een mens ziet, ziet iets van God. Niet God zelf, maar iets van God. Als je zo naar mensen kijkt, ga je iets aanvoelen van wat Kerstmis zegt. In die ene mens Jezus de Christus tekent zich bij uitstek af wie God is. Of beter, hoe God aanwezig is. Hoe? Door wat Jezus zegt en doet. Intens betrokken op mensen, voortdurend op zoek naar wie niet te leven heeft. Hij redt mensen uit hun eenzaamheid, uit hun schuld, uit de macht van het kwaad. Hij is de Redder, zegt Lucas. Sint Jan zegt het iets anders: God is een Woord en een Beweging van liefde, zo krachtig en zo kwetsbaar als liefde maar zijn kan. Dat Woord is vlees geworden, een tastbare mens. De reddende nabijheid van God is in Jezus verschenen, zegt de Brief aan Titus (2,11; 3,4). God spreekt zich uit in de Zoon, zegt de Hebreeënbrief (1,1). Bij die mens kom je tot leven, vind je een licht dat je nergens an-ders vindt. Niemand heeft ooit God gezien, alleen Jezus de Zoon leert Hem ons kennen.
Dat klinkt prachtig. Maar die mens is gestorven. En hoe! Voor de joodse hoge-priester is hij een Godloochenaar (Mc 14,64), een misdadiger (Jo 18,30). De joodse over-heden kunnen hem niet zien als de Christus: hij moet dood. Wat moet ik met iemand die gekruisigd is? Dat is de hindernis die zich steeds weer aandient. Wie God enkel ziet als de Almachtige, kan zijn gelaat niet zien in een mens die aan een kruis hangt. Het is de machteloosheid en de kwetsbaarheid van de Gekruisigde die ons de liefde die God is, openbaren. Lucas is daarmee vertrouwd. Daarom het detail: voor die mens is geen plaats in de herberg. Je kunt hem buitensluiten, geen toegang geven. Maar als je hem toegang wilt geven, blijft de vraag: Waar kan ik hem dan ontmoeten? Waar is die reddende liefde van God nú te vinden? Het antwoord is verrassend: in mensen die zich inzetten om te leven zoals hij, bezield door de Geest die Jezus bezielt. In reddende mensen zie je de Redder. In mensen die liefhebben zie je - soms stralend, soms bijna onopgemerkt - de Liefde met hoofdletter. In zulke mensen wordt God mens. Zij lijken op Jezus de Christus.
Wat zeg ik als God zeg? Nu besef ik: ik spreek uit waarvan ikzelf leef en leven wil; wat ik bij uitstek in Jezus de Christus leer zien. Aanstekelijk, wervend. Een appél met een belofte, een weg om te gaan, ‘een weg die naar vrede leidt’ (Lc 1, 79), de vrede van Pasen (Lc 24,34). Ik wens u van harte een Zalig Kerstfeest.
P. Stevens
|