|
Medegelovigen, zusters
en broeders,
Iets minder dan
veertien dagen en het is weer zover. Kerstmis. Voor velen
van ons een rustpunt te midden van de drukte van het leven.
Voor anderen: dagen die maar zo snel mogelijk voorbij mogen
gaan, omdat zij hun geliefden missen om deze dagen samen mee
door te brengen. Al wekenlang worden we attent gemaakt op de
Kerstdagen , zoals ze doorgaans genoemd worden. Kerstbomen
staan thuis en in de stad in alle soorten en maten,
kerstliedjes met engeltjes, rendieren en klokjes,
kerstkaarten die wij ontvangen maar ook zelf rondsturen. Wat
drijft ons mensen toch om juist met die dagen aardig en
attent voor elkaar te zijn? Het gebrek aan licht overdag, de
diepe behoefte even wat afstand van het jachtige bestaan van
alle dag te willen nemen? Misschien wel nostalgie naar de
kindertijd toen, tenminste volgens ons gebrekkige geheugen
nu, de hele wereld onder een dik pak sneeuw lag en alle
mensen lief en aardig voor elkaar waren. Niet alleen in onze
kindertijd maar nu nog steeds raken we ontroerd, door het
kind dat in zulke behoeftige omstandigheden wordt geboren,
door de herders en de schapen die zich naar het stalletje
spoeden. Door al die zaken worden wij ontroerd. Dat is niet
erg, het gewone leven van alledag is immers al hard genoeg.
Ik gun U allen en mezelf daarom een mooie, vreedzame Kerst
over bijna twee weken, maar vraag me ook af: Dat kan toch
niet alles zijn.
Wij weten dat ten tijde van de Germanen een midwinterfeest
bestond, dat werd gevierd op dagen dat er nauwelijks licht
was.
De kerk heeft dat feest gekerstend, met Christus in verband
gebracht. Het midwinterfeest werd zo omgedoopt in het feest
van de geboorte van de Heer, onze Heer. Als we om ons heen
rondkijken buiten deze kerk dan lijkt het er wel op dat deze
kerstening zijn langste tijd heeft gehad. Misschien dat
aandachtige lezing van de teksten van de woorddienst van
vandaag ons verstaan van Kerstmis kan verrijken.
Prominent aanwezig in het evangelie van vandaag is Jan de
Doper. Een man, met een stel leerlingen rondtrekkend in de
woestijn, ver weg van het leven in de stad. Diep religieus
en slechts gekleed in een kamelenhuid op zoek naar God. Hij
is voorstander van een totale, radicale bekering. De
bekering wordt voltrokken door de doop met water. Water is
het belangrijkste middel om je mee te reinigen en daardoor
zeker in de barre omstandigheden van de woestijn een
ijzersterk symbool. Mensen komen naar hem toe en vragen wat
ze moeten doen om het naderend oordeel te ontlopen. Johannes
geeft raad in woorden die wij ook uit Jezus mond zouden
kunnen verwachten: wie meer heeft aan voedsel dan een ander
dient met hem te delen, tollenaars, belastingambtenaren in
dienst van de bezetter, mogen mensen niet afzetten en
soldaten moeten tevreden zijn met hun soldij.
Maar er is meer, Johannes verwijst ook naar Jezus, een
leraar met volgelingen, net als hij, die niet alleen het
oordeel over de mensen zal uitspreken en het ook zal
voltrekken, maar ook zal dopen met de Heilige Geest en met
Vuur.
Het gevaar bestaat, medegelovigen, dat we Jan Baptist en
zijn woorden als iets uit het verleden beschouwen. ‘Die
heeft nu eenmaal daar rondgelopen, daar wordt nu over
verteld, nou ja, het zal wel.’ Het zal niet, beste mensen,
want alles wat de Doper zegt, wat hij doet of nalaat, dient
om de persoon van Jezus beter aan te geven. Daarom is wat
Jan Baptist zegt ook voor ons, mensen van 2009 van belang.
Jezus zal dopen met heilige Geest en Vuur. Ook wij zijn met
die doop gedoopt. Die Heilige Geest is ons meegegeven, bij
de doop en het vormsel, twee sacramenten die in de begintijd
van de Kerk in een keer achter elkaar werden toegediend. Wij
zijn ons er helaas zelden van bewust dat wij die Geest van
in ons aanwezig mogen weten. Om maar te zwijgen van het
vuur. Wij warmen ons graag aan het vuur van een begaafd
spreker, die met welgekozen woorden zijn overtuiging voor
ons vertolkt. Maar wat doen wij zelf met dat vuur?Laten wij
het stilletjes in onze geesten uitdoven of durven wij het op
onze manier branden te houden en verder door te geven?
‘Wees
niet bang’ zei de profeet Sefanja in de eerste lezing,
‘De Heer, uw God, is bij u, door zijn liefde maakt Hij u
nieuw; Hij jubelt om u van vreugde.’ Mogen die woorden ons
vergezellen, nu in de dagen voor kerstmis maar ook tijdens
de hopelijk vele dagen die er op volgen.
Diaken H. Renckens
|