Zo dikwijls spelen we verstoppertje voor elkaar. De vrouw weet dat haar man ongeneselijk ziek is; maar om hem niet te verontrusten wordt dat niet uitgesproken. Ik word pas geroepen als hij al in coma ligt om hem de ziekenzalving te geven. Omgekeerd – blijkt in het gesprek nadien – de man wist ook dat hij niet meer beter zou worden, maar durft het ook niet te zeggen. Iedereen ziet het , maar zegt: je ziet er al weer wat beter uit, knap goed op; terwijl hij wel aanvoelt: het gaat niet goed ik ga dood. Maar signalen die hij geeft worden niet opgepakt. De signalen oppakken die mensen geven en geen verstoppertje spelen.
Jezus heeft het drie keer geprobeerd. Hij vertelt over zijn lijden in Jeruzalem, zijn dood, en zijn verrijzenis op de derde dag. Nu vandaag is het de derde keer. De eerste keer sprak Petrus erover heen. Hij wilde er niet aan: dat mag niet gebeuren. Zo van “laten we dan niet naar Jeruzalem gaan”- Hij stapt over Jezus’ strijd en zijn te verwachten kruisweg heen. Maar Jezus voegde hem op strenge toon toe: Ga weg Satan. We willen er niet aan dat lijden komt.
Ook de tweede keer: ”De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen van de mensen en ze zullen Hem doden.” Ze zwijgen; ze begrepen die woorden wel niet maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen. En even later ruziën ze over wie de grootste en belangrijkste is.
En nu: Jezus heeft juist nog eens gezegd “We gaan naar Jeruzalem waar de Mensenzoon zal worden overgeleverd. Ze zullen Hem doden … maar op de derde zal Hij verrijzen.”
En dan is het eigenlijk heel gênant hoe de leerlingen reageren. Geen spoor van meeleven, ze stappen over zijn doodgaan heen en vragen a.h.w. naar de erfenis. Komen wij in het testament voor? Mogen wij de beste twee plaatsen in uw Koninkrijk innemen? Jezus raakt geïrriteerd door hun lompheid, of is het ongeloof?. Jezus kent zijn leerlingen. Hij weet dat ze Hem uiteindelijk zullen volgen in zijn lijden. “Inderdaad, de beker die Ik drink zullen jullie drinken”
Jacobus en Johannes vonden dat zij recht van spreken hadden; zij waren bij de eerste vier leerlingen; zíj waren erbij toen Jezus het dochtertje van Jaïrus opwekte; en bij de Gedaanteverandering, en ook in de Hof van Olijven zullen zij verder met Jezus meegaan (samen met Petrus). Hier nemen ze Jezus even apart.
“Wij willen dat u doet wat wij vragen.” En Jezus antwoord hetzelfde als wat Hij tegen de blinde Bartimeus zei, die Hij het licht in de ogen gaf: “Wat wilt Gij dat Ik voor jullie doe?” Eigenlijk moet Jezus hen ook licht in-zicht geven. Want de vraag moet natuurlijk omgekeerd zijn: “Jezus, wat wilt u dat wij doen?!” Jezus volgen betekent ook oog hebben voor het lijden, voor wat er in mensen omgaat en dat niet wegduwen. Wij weten vaak geen raad met ziek-zijn.
Terwijl Jezus ons daarin is voorgegaan en door zijn lijden op zich te nemen de wereld heeft verlost. Het zou voor ons een uitnodiging mogen zijn om bij ziekte met Hem mee te lijden; tot verlossing van de wereld; het kan ons gebed nog versterken. Hoe moeilijk het ook is, kunnen we zo wel op een dieper niveau leven en krijgt het leven ook dan zijn zin. Het zijn vaak de beste mensen die getroffen worden door een ziekte of tegenslag. Om dan niet blind te zijn, maar om de signalen op te pikken die iemand geeft en er niet overheen te praten. Niet ónze bedoelingen opdringen.
Maar wij mensen willen ook God – met de beste bedoelingen naar onze hand zetten. Net als Petrus, of als die leerlingen die met het rijk Gods bezig waren. Ze gingen alleen voorbij aan Jezus lijden.
De Mensenzoon is gekomen om te dienen en om zijn leven te geven als zoenoffer!
• = Jezus’ zending is dienst
• Jezus’ dood is zoenoffer
Op het moment dat Jezus het minste kon doen, heeft Hij de wereld verlost. Wij kijken veelal alleen naar wat iemand kan doen, en weten dan geen raad met als iemand niets meer kan. Hoe daar mee om te gaan?
De leerlingen slaan lijden en dood over en gaan meteen over op Gods glorie.
Lijden en dood zijn weinig aantrekkelijk; de heerlijkheid daarentegen spreekt hen aan. Hun vraag is: waar maken wij aanspraak op? Wat zijn onze rechten.
Vgl. “waaraan heb ik dit nu verdiend, altijd goed geleefd”, is niet een vraag die bij het rijk Gods hoort. Jezus had het ook nergens aan vediend dat Hij het Kuir op zich moest nemen. Plaatsvervangend heeft Hij het voor ons gedaan.
Zijn dienen was meewerken met Gods handelen. Jezus’ dienende houding bracht Hem de heerlijkheid, maar Hij moest wel eerst door lijden en dood heen. Zo heeft Hij voor ons de hemel verdiend!
Plaatsvervangend heeft Hij zijn lijden op zich genomen. Plaatsvervangend lijden, bidden, zorgen, is een dienende liefde.