 |
6e zondag door het jaar B (15-02-2009)
Sinds 1968 is het ziekenhuis van Heerlen gevestigd in een groot hoog gebouw. Ieder van ons weet waar het ligt. We komen er wel eens om vrienden en bekenden op te zoeken en een enkele keer verblijven we er ook zelf voor enkele dagen. Het liefste blijven wij er ver van verwijderd.
Het voormalige ziekenhuis van Heerlen lag midden in de stad en was niet één groot gebouw maar bestond oorspronkelijk uit een hele reeks gebouwen van niet meer dan twee verdiepingen, die men paviljoenen noemde. Voor patiënten, artsen en verplegend personeel was die opzet vrij lastig wanneer men van het ene naar het andere paviljoen moest oversteken. Toch had zulke bouwwijze van een ziekenhuis grote voordelen wanneer er een epidemie onder de patiënten was uitgebroken. Men kon de getroffen zieken isoleren in een of meer paviljoenen, de verpleging kon extra voorzorgen nemen en in het niet door de ziekte besmette of bedreigde deel van het ziekenhuis kon het werk gewoon doorgaan. Men wist immers al eeuwen lang dat isolatie van patiënten en mogelijke patiënten een noodzakelijk middel was om verdere verbreiding van besmettelijke ziekten te voorkomen. Melaatsen werden in de Middeleeuwen na ontdekking van hun ziekte uit de stad gegooid, waar ze zich maar zelf moesten zien te redden. In deze tijd is de melaatsheid in onze streken verdwenen, maar andere besmettelijke ziekten zijn gekomen zoals aids, TB, hoofdluis en nog vele anderen. In Jezus’ tijd kwam melaatsheid nog vaak voor. Lijders van deze ziekte werden streng afgezonderd van de gezonde mensen want tussen gezonden en zieken mocht geen lichamelijk contact plaats hebben. Aanrakingen en kussen waren natuurlijk volledig uit den boze, letterlijk en figuurlijk. Bij een vermeende genezing moest er duchtig gecontroleerd worden door de priesters wilde de voormalige melaatse weer toegelaten worden tot de groep gezonden. Vooral om die gezonde groep te behoeden voor ziekte.
Tegen die achtergrond speelt het evangelieverhaal van vandaag zich af. De twee hoofdpersonen, de melaatse man en Jezus overtreden de wet door welbewust met elkaar in contact te treden. De melaatse valt niet alleen vlak voor Jezus op de knieën, veel te dicht bij Hem en in overtreding van het verbod, maar hij vraagt ook nog aan Jezus rein te worden. Niet alleen rein in de betekenis van zuiver, schoon, goedgewassen, maar rein in de betekenis van uitgezuiverd, vrij van alle smetten, zonden ontdaan. ‘Maak mij vrij van al mijn zonden’ zegt de man, ‘Heilig mij’. Want hij nadert God’s Zoon.
Deze is diep ontroerd. Ik denk door de grote moed van de man om uit de knellende band van de heersende regels te springen en zijn enige kans te grijpen om genezen te worden. Jezus beloont de moed van de man en geneest hem.
De man, dol van blijdschap, houdt zich niet aan wat Jezus hem geboden heeft, maar gaat rondbazuinen dat hij vrij van melaatsheid is, voordat hij officieel genezen is verklaard door de priesters. Alweer een overtreding van de wet. Maar dat maakt de mensen niet uit. Integendeel er komen steeds meer mensen naar Jezus toe. Logisch, als je door Hem genezen kunt worden.
Een genezing van melaatsheid van lang geleden, uit de tijd toen Jezus nog leefde. Maar het gaat in dit verhaal ook niet in de eerste plaats om die ziekte, maar om de verhouding tot God. De melaatse, de zondaar, probeert uit zijn isolement te komen en Jezus, God, te benaderen. Deze merkt de melaatse op, onderkent zijn nood en zuivert hem, maakt hem zichtbaar schoon van buiten maar ook onzichtbaar van binnen.
Daarin ligt de betekenis van dit verhaal voor ons. Ieder van ons zit vol met ongerechtigheden, fouten in de verhouding tot anderen en tot God.
Als wij aan introspectie doen, vroeger noemde men dat gewetensonderzoek, constateren we dat ook wij donkere vlekken met ons meedragen. Sommige van onze vermogens, waar toe ik reken:belangeloos optreden, medegevoel en interesse voor anderen, betrokkenheid op God zijn in de loop der tijd langzaam donkerder geworden. Zij kunnen zelfs verdwijnen en afsterven. Dezelfde weg die de vlekken van melaatsen ondergaan.
De melaatse uit het evangelieverhaal wordt door Jezus geholpen, pas nadat hij om hulp gevraagd heeft: ‘Als U wilt, kunt U me rein maken’ vraagt hij aan Jezus. Dat mogen wij in gebed, vooral in het gebed na de Communie herhalen. Net als de melaatse mogen wij er vast op rekenen dat Jezus ons wil helpen: ‘Ik wil het, wordt rein’ zei hij immers.
Amen.
Diaken H.J.H. Renckens
|
|
 |
|